Cultureel Centrum Nesterlé

ma23.11
Terug

Toneel voor het Volk door Het Volk

Zaterdagavond 21 november waren we in cc Nesterlé getuige van wel ’n zeer bijzonder toneelstuk.  Het publiek was zowel leerling, welke verplicht in de aula moet verschijnen,  als theaterbezoeker. Het gespeelde stuk, zoals het Vondel betaamt,  was blijspel en treurspel ineen. Vol met woordspelingen en onverwachte wendingen.
Reden genoeg om ons ooggetuigeverslag ’n Vondeleske toonzetting te geven.
Geniet beschroomd of huiver met plaatsvervangende schaamte.

Evenementencommissie cc Nesterlé

Toneel voor het volk, door Het Volk
‘Jongelui,  goedemiddag’ bulderde het betheedoekt hoofd:
de rector – zeer van zins-,  zijn visitekaartje af te geven.
‘Welkom in de aula van onze school’ vaderde hij toe.
Nisseroise toneelliefhebbers in opperste verbazing : ‘Wat gaan we nou beleven,
er was ons toch de Vondelklassieker  ‘Het Volk in Dothan’ beloofd?’
Men schoof al wat onwennig op de toegewezen plaats.
Het jeugdig stel wat schielijk later kwam binnensluipen,
werd streng berispt door de tiran,
ommestaand docent Nederlands Kampschuur, recent gestopt met zuipen
en biologiemeester Van Velzen, forse luier om de gekwetste prostaats.

Daar zaten we dan, opgescheept met 3 x geschifte ijdelheid.
In colbert met stropdas, schapenvacht daarboven, plissérok eronder,
sokophouders verbergen vergeefs het harig gebeente.
Dat de rector ook zijn privé problemen kende, was geen wonder
met ’n eega die geen toneel maar overspeelde met collega handenarbeid.
Hijgend in de nek van de voorburen luisterden we ademloos
naar de berijmde plechtstatige taal van Vondel,
hilarisch onderbroken door rectorale terechtwijzingen.
Doch immer geschraagd door ouderwets ambachtelijk spel,
Nesterlé, knus schouwtoneel van drama, gespeeld onbeholpen, geacteerd virtuoos.

Voorshands reden genoeg daar nog eens ’n voorstelling te bezoeken
na deze eminente persiflage op ’n parodie.
Meer hoeft het niet te zijn voor een
weergaloze topavond,  zoals kranten kopten boven hun recensie,
’n engel, ’n put, tragische koppen, drie theedoeken ......

Theo Langenhuijzen